Het Carillon

Ik zag de mensen in de straten, hun armoe en hun grauw gezicht, – toen streek er over de gelaten een luisteren, een vleug van licht. Want boven in de klokketoren na ’t donker-bronzen urenslaan ving, over heel de stad te horen, de beiaardier te spelen aan. Valerius: – een statig zingen waarin de zware klok bewoog, doorstrooid van lichter sprankelingen, ‘Wij slaan het oog tot U omhoog.’ En één tussen de naamloos velen, gedrongen aan de huizenkant stond ik te luist’ren naar dit spelen dat zong van mijn geschonden land. Dit sprakeloze samenkomen en Hollands licht over de stad – Nooit heb ik wat ons werd ontnomen zo bitter, bitter liefgehad.
Ida Gerhardt Oorlogsjaar 1941